antwoord 29

Een wissel heeft een nominale waarde en een contante waarde. Welke uitspraak hieromtrent is juist?

A) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde.

B) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde verminderd met de discontokosten.

C) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde vermeerderd met de discontokosten.

D) Geen van voorgaande uitspraken is juist.

vraag 29

Een wissel heeft een nominale waarde en een contante waarde. Welke uitspraak hieromtrent is juist?

A) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde.

B) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde verminderd met de discontokosten.

C) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde vermeerderd met de discontokosten.

D) Geen van voorgaande uitspraken is juist.

antwoord 29

Een wissel heeft een nominale waarde en een contante waarde. Welke uitspraak hieromtrent is juist?

A) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde.

B) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde verminderd met de discontokosten.

C) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde vermeerderd met de discontokosten.

D) Geen van voorgaande uitspraken is juist.

vraag 29

Een wissel heeft een nominale waarde en een contante waarde. Welke uitspraak hieromtrent is juist?

A) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde.

B) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde verminderd met de discontokosten.

C) De contante waarde is gelijk aan de nominale waarde vermeerderd met de discontokosten.

D) Geen van voorgaande uitspraken is juist.